Achtergrondinformatie

Uw huisdier heeft suikerziekte. Dit is een tekort aan insuline dat aangemaakt wordt in de alvleesklier. De belangrijkste symptomen van suikerziekte zijn:

  • Vermageren
  • Veel drinken
  • Veel plassen

Suiker is de belangrijkste energiebron voor uw huisdier. Insuline zorgt ervoor dat de suiker in het lichaam opgenomen kan worden en houdt de suikerspiegel in het bloed constant. Zonder insuline zit er dus veel suiker in het bloed. De nieren zullen door het hoge aanbod van suiker in het bloed, dit door gaan laten in de urine. De urine krijgt hierdoor een hogere concentratie dan normaal en het lichaam probeert dit te compenseren door veel te gaan drinken.

Wat is er aan te doen?

Uw huisdier krijgt dagelijks extra insuline toegediend door middel van een injectie. De hoeveelheid daarvan moet in het begin uitgezocht worden en is vooral bij de hond sterk afhankelijk van wat hij eet. Daarom moet u de hoeveelheid voer per dag constant houden. Honden krijgen bij voorkeur twee keer per dag op een vaste tijd te eten. Katten mogen de hele dag door blijven eten. Er is ook een speciaal dieet beschikbaar wat ondersteuning biedt bij dieren met suikerziekte.
Vooral in het begin met het bloed van uw huisdier regelmatig bij de dierenarts gecontroleerd worden om de insulinebehoefte te bepalen. U zult uw huisdier zelf insuline moeten prikken. Dit lijkt eng, maar in de praktijk blijkt dat het snel went. Het is heel belangrijk dat u uw huisdier elke dag op dezelfde tijd insuline geeft.

Waar moet u op letten?

U moet ervoor zorgen dat uw huisdier nooit teveel insuline binnen krijgt. Dit zou kunnen gebeuren doordat uw dier te weinig of niet eet en u toch insuline prikt. Hierdoor krijgt hij een tekort aan suiker in het bloed (een zogenaamde hypo), en kan hij gaan wankelen, flauwvallen of zelfs in coma raken. Een hypo kan zes tot twaalf uur na de insuline injectie optreden. Mocht het gebeuren dat uw huisdier een hypo heeft, dan moet u direct druivensuiker (opgelost), honing of gewoon suikerwater in de bek ingeven (pas op voor verslikken). De suiker wordt door het mondslijmvlies opgenomen en zodra uw huisdier weer helder is, mag hij weer wat gewoon voer eten. Daarna moet u contact opnemen met de dierenarts om te overleggen wat er verder gedaan moet worden.
Als uw huisdier braakt of niet wil eten, geef dan geen insuline!
Gaat u een dagje weg, geef dan niet op een ander tijdstip insuline. Geef ook nooit meer insuline dan u met de dierenarts afgesproken heeft. Sla het spuiten van de insuline liever een dagje over. Als u twijfelt of u wel genoeg insuline gegeven heeft, spuit dan niet nog een keer maar laat het zo. Hij gaat dan hoogstens een dag wat meer drinken.

Alleen teveel insuline spuiten kan gevaarlijk zijn, niet spuiten niet!

Bewaar insuline altijd in de koelkast en zwenk het flesje goed voor gebruik.